De molen van Cyriel Buysse

Op de Molenberg te Deurle heeft eeuwenlang een houten staakmolen gestaan. Deze molen werd op 2 november 1918 vernietigd door de terugtrekkende Duitsers. Cyriel Buysse betreurde de vernieling van deze molen – waaraan hij zo was verknocht – erg. Met de vergoeding voor oorlogsschade voor de vernielde molen liet Cyriel Buysse in 1922 op bijna dezelfde plaats een kleinere windmolen oprichten. Het werd een staakmolen op halve grootte, die aanvankelijk twee functies had: het malen van graan en het oppompen van water, om het naastgelegen palenhuis van water te voorzien.
In die paalwoning schreef hij “Zomerleven”, een ode aan het eenvoudige leven in het dorp Deurle.
Als graanmolen heeft deze kleine molen een tiental jaren gewerkt: Serafien De Baere de vroegere molenaar op de “grote” molen stond hiervoor in.
Nadat zoon René Buysse-Nerinckx de Molenberg met de molen in 1932 erfde, geraakte het molentje in onbruik. Hij verwijderde het palenhuis en bouwde in 1939 op dezelfde plaats de nog bestaande villa met rietdak. Deze villa staat er nog steeds en is zichtbaar vanuit de Muldersdreef.
Na zijn overlijden in 1969 kwam het domein met de molen toe aan zijn weduwe en de kinderen Guy (+1981) en Nadine Buysse. Ze lieten het molentje met zijn interieur ongemoeid. Wel is het houten wiekenkruis met de jaren weggenomen.
In 1999 voerde Lieven Denewet (voor Molenzorg vzw) een “tweesporig” pleidooi voor de bescherming van het “Molentje Cyriel Buysse” te Deurle:
 op zich, als molen: natuurgetrouwe
houten staakmolen op halve grootte, die graan en water kon oppompen, die nog steeds zijn mechanisme bezit
 vanwege de context: zijn band met schrijver Cyriel Buysse, die hem in 1922 liet bouwen, ter vervanging van een in 1918 vernielde molen.
Het molentje is beschermd als monument bij K.B. van 6 juni 2001. In 2004 werd het na opmeting gedemonteerd. De restanten liggen nu op het containerpark en in de loods van de gemeente.
Erfgoed Deurle zet zich in om deze molen te laten restaureren en terug op te richten: liefst op de Molenberg, de originele site, of elders indien dit meer geschikt zou zijn.
De eerste voorbereidende werkzaamheden zijn gestart: een sensibilisering van de betrokken partijen (de gemeente, de eigenaar, het molenmuseum van Oost Vlaanderen, deskundigen in de gemeente).
Piet Moerman

 

 

 

De molen van Buysse, een beschermd monument, werd in 2004 ontmanteld. Sindsdien liggen de onderdelen ter bewaring deels in de gemeentelijke loods, deels onder een afdekzeil op het containerpark van de gemeente.
Erfgoed Deurle heeft gedurende de laatste maanden diverse stappen gezet om de molen te laten restaureren en terug op te richten. Verschillende gesprekken met Mevrouw Buysse, kleindochter van Cyriel en huidige eigenares van de molen zijn constructief verlopen. Mevrouw Buysse lijkt bereid mee te werken om de molen herop te richten. Wanneer de gemeente eigenaar zou worden van de molen, dan kan deze als publieke overheid een toelage voor de restauratie bekomen van 80%. Hierdoor wordt de financiering van de restauratie realistisch en op korte termijn mogelijk.
Een voorwaarde voor die 80% subsidiëring is dat het beheersplan voorziet dat de molen maalvaardig is en bij bepaalde gelegenheden effectief ook maalt. Uiteraard is hiervoor een voldoende windvang noodzakelijk. Om de nu sterk beboste Molenberg (heuvel rechts naast de kerk) van rooien te vrijwaren zou een andere plek moeten gezocht worden voor de oprichting, weliswaar met voldoende windvang.
De gemeente organiseerde in maart ll. een inspraakvergadering omtrent de bestemming van het aangekochte stuk grond achter de pastorie van Deurle (site Cnops). Erfgoed Deurle heeft bij die gelegenheid de idee geuit dat deze site gepast zou zijn als nieuwe locatie voor de molen van Buysse. Tijdens een eerder bezoek aan de site met een delegatie van het Provinciaal Molencentrum Oost-Vlaanderen (MOLA) was het duidelijk dat hier aan de rand van de Leie-vallei voldoende windvang mogelijk is zonder grote rooiwerken.
Een wijziging van de plaats van heroprichting van de molen vereist echter het volgen van een administratieve procedure. Na een gemotiveerde aanvraag bij ‘Onroerend Erfgoed Vlaanderen’ (vroeger Monumenten en Landschappen) moet een positief advies hierover gegeven worden om het beschermingsbesluit van de molen te wijzigen. Wordt dus vervolgd…
Om het historisch belang van windmolens in Deurle en in het bijzonder de molen van Buysse toe te lichten organiseert Erfgoed Deurle half oktober 2017 een filmavond. Onze medewerker Pol Van der Plaetsen toont dan zijn film “De Molens van Deurle”.
Wij houden u via deze Nieuwsbrief op de hoogte, ook als de wind zou draaien.

 

 

 

uit  “Verzameld werk” – Deel 7 van Cyriel Buysse

De molen van Deurle

De oude, houten molen van Deurle, waar ik in het jaar vóór de oorlog mijn boek Zomerleven schreef, bestaat niet meer… De Duitsers hebben hem opgeblazen, enkele dagen vóór de wapenstilstand!

Een Beiers officier heeft er lange maanden zijn intrek genomen; en ik erken gaarne dat hij mijn boeltje gerespecteerd heeft en dat, onder zijn beheer, het mooie bos, dat de hellingen van de poëtische Molenheuvel begroeit, zo weinig mogelijk heeft geleden.

Toen het bevel tot vernieling van de oude molen bekend werd, ging mijn molenaar, die zelf, zonder dat hij ’t weet, een poëet en een filosoof is, naar de Beier toe en vroeg hem waarom dat moest, welk nut het had.

– Geen enkel nut! Louter Pruisische barbarie! antwoordde met verontwaardiging de Beier, die het nooit onder stoelen of banken stak, hoe verwoed hij de Pruisische bandieten verachtte en haatte.

Maar de Pruisische bruut was toen nog de heerser en de oude molen viel. Hij viel op 2 november, de dag van de Doden!

Al wie dat alleraardigst hoekje van Vlaanderen kent, heeft ook de oude molen gekend en zal om zijn onherstelbaar verlies treuren. Hij dagtekende van 1543!

Hij had alle stormen der eeuwen getrotseerd; hij had oorlogen, oproeren, revoluties om zich heen zien woeden; hij stond daar in zijn eeuwenoude eenzaamheid, over het stof der generaties heen; hij stond daar vol sereniteit en poëzie; hij stond daar om te blijven staan, tot de dag waarop de Bruten, de Ueberbruten, hem kwamen vellen.

Hij rees in zijn verweerde grijsheid op de heuvel en die heuvel was begroeid met allerhande kreupelhout, waarin de lijsterbes zoet geurde in de lente, terwijl de bloeiende brem als in vloeiingen van tintelend goud over de zandige hellingen stroomde. Het was er vol zingende vogeltjes die er hun nestjes bouwden; het was er vol wilde konijntjes die bij het minste alarm in hun onderaardse spelonken verdwenen; en de kleine kinderen van het dorpje kwamen er wilde bloemen plukken, waarmee ze zich de blonde kopjes tooiden.

De molen werkte gans de lange dag. Hij maalde ’t graan van de weelderige oogsten, dat de mensen hem op karren en kruiwagens brachten. Hij was als de milde, genadige voeder van de ganse bevolking en ’s avonds, als zijn dagtaak afgelopen was, stond hij daar als een wijze, oude reus te mijmeren, met zijn hoofd in de sterren.

Hij is niet meer. De vernielers, de Bruten, hebben hem omvergetrokken. Hij is plat op zijn heuvel in elkaar gestort en het trof mij welk een klein hoopje splinterhout dat vormde, toen hij daar zo lag. Die grote, grijze kast is als een lege spaandoos in elkaar gedrukt. Je kunt er zo overheen lopen. De molenstenen liggen verbrijzeld in het gras, de houten raderen zijn gebarsten, de binten steken als gebroken beenderen in de lucht. De zware balken echter zijn nog gaaf gebleven; en in een daarvan zie ik nog de talloze groeven van het bijltje dat de molenaar daarin sloeg, in de oude, oude tijden toen de ganse streek één bos was en men steeds moest gewapend zijn tegen mogelijke aanvallen van moordenaars en struikrovers. Maar het meest tragisch van al zijn de wieken. De ene heeft zich op de muur van de fondatie verbrijzeld; de tweede is meters diep in ’t mulle zand van ’t bos gedrongen; en de beide andere steken hoog en achteroverhellend in de lucht, als twee naakte reuzenarmen, in een gebaar van uiterste wanhoop ten hemel gespreid.

Zo ligt hij daar, sinds weiten. En stil komen de mensen, die al zoveel geleden hebben, naar hem kijken, en ieder neemt een brokje van hem mee. ’t Is winter, ’t is koud, de mensen hebben geen brandstof meer; en langzaam aan zie ik de oude molen wegsmelten, als een groot geraamte, dat van lieverlede door de tijd verteerd wordt.

Het is wel goed zo, en de molenaar noch ik maken een opmerking. De molenaar filosofeert en mijmert, en ik denk:

De goede, oude molen heeft geslachten en geslachten gevoed zolang hij kon leven en werken; nu de Bruten hem vermoord hebben, warmt hij nog met zijn oude, gebroken beenderen, de vele, vele kinderen, die hij niet meer spijzen kan.

Het is goed zo; tot het allerlaatste is hij nuttig. Maar wat met hem voor altijd is verdwenen, dat is de schone, zachte, wijze poëzie die van hem uitging; de droom, de illusie, de sereniteit van zijn wezen, dát wat de sinistere Bruten, zonder enige noodzakelijkheid, uit loutere vernielingszucht, uit loutere, meer dan beestachtige bruutheid, voor altijd vernietigd hebben.

Pouah! wat ’n ras!

 

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close